Lezingen

 

Lezing en documentaire over Charlotte Salomon georganiseerd door Stichting Het Mikwe op woensdag 12 november 2014 in de bovenzaal van "De Verdraagzaamheid" te Zaltbommel.

“De oorlog woedde voort en ik zat bij de zee en keek diep in het hart van de mensheid.”

De Joods-Duitse schilderes Charlotte Salomon werd in 1917 in Berlijn geboren. Ze was de dochter van ziekenhuisarts Albert Salomon en Franziska Grunwald. Op 9-jarige leeftijd  pleegt haar moeder zelfmoord. Na haar dood hertrouwde haar vader met een operazangeres.

In september 1936 werd Salomon toegelaten tot de kunstacademie. Toen zij een prijs zou winnen, kwam uit dat ze Joods was en moest ze de kunstacademie verlaten. In 1939, na de Kristallnacht, vluchtte ze op advies van haar vader en stiefmoeder naar haar grootouders in Zuid-Frankrijk. Nadat haar oma na het uitbreken van de oorlog in 1940 zelfmoord had gepleegd, overwoog ook Charlotte haar leven te beëindigen. Maar de kunstenares in haar won en zo ontstond de meer dan 1300 autobiografische gouaches tellende reeks Leben? oder Theater?. Dit omvangrijke expressionistische kunstwerk rondde ze in 1942 af.

Maar zelfs in Zuid-Frankijk waren Joden niet veilig. Samen met haar echtgenoot Alexander, een Joodse vluchteling uit Oostenrijk, werd ze opgepakt en naar Auschwitz getransporteerd waar ze op 10 oktober 1943 werd vermoord.

De documentaire werd ingeleid door Herman Teerhöfer. Hij heeft een studie gemaakt  van het werk en leven van Charlotte Salomon en heeft verschillende ontmoetingen gehad met haar stiefmoeder.

 

Nederlanders en de "Joodsche Natie"


Lezing Aart Vos voor de Raad van Kerken op 2 december 2003; aangevuld/gewijzigd voor lezing Stichting Mikwe 19 april 2005 en Historische Kring okt. 2005
Ziet, wij leggen grote afstanden af om de plaats van het heilige Graf te zoeken en ons op de moslims te wreken. En ziet, hier onder ons wonen de joden, die de onschuldige Christus hebben gekruisigd en omgebracht. Laten wij ons dan eerst op hen wreken en hen onder de volkeren verdelgen, zodat de naam jood nooit meer zal worden genoemd.

Omstreeks het midden van de 12e eeuw tekende Salomon bar Simeon, joodse kroniekschrijver te Keulen, deze beweegredenen van een kruisvaarder op. Geweld tegen joden barstte omstreeks de zelfde tijd in Noord Frankrijk los en nadat de bisschop van het Noord-Engelse Durham zijn gelovigen waarschuwde voor het perfide bijgeloof van de Joden stierven ongeveer 150 joden bij een slachtpartij in York.[1]

In 's-Hertogenbosch moeten prediking, geruchtenstromen en de kruistochten naar het Heilige Land mensen ook in vuur en vlam hebben gezet.

Net buiten de nederzetting Den Bosch, achter het huidige stadhuis - woonden joden.[2]  Waarschijnlijk hielden zij zich bezig met het verstrekken van geld. Geldwisselaars  stonden in een agrarische wereld met een ruileconomie in een kwade reuk.

Christenen mochten ook geen geld uitlenen en de daarbij behorende rente - synoniem aan woeker - vragen. De Kerk van Rome maakte wel uitzonderingen voor de mensen uit Noord-Italie, de Lombarden.

Het al jaren zieltogende winkelcentrum achter het Stadhuis heet nog het Lombardje en ook in Bommel komen we de naam Lombard tegen.

Een wat merkwaardig gerestaureerd pand aan het Kerkplein waar ooit kanunniken woonden, is De oude Lombard gedoopt. Of daar de Bank van Lening ooit gevestigd was, is mij niet bekend.
Terug naar Den Bosch. We weten niet of tussen of bij de joden achter het huidige stadhuis Lombarden woonden, of dat de Lombarden de joden als concurrenten zagen.

So is het gebeurt, vermeldt een oude Bossche kroniek, dat de Joden alle gelijck ten getalle van hondert ende drie-en-tachtig soo mans als vrouwen bij de kop sijn gevath om haar blaesphemie tegen godt, valsche handel ende lelijcke feijten, daer sij in overtuijgt ende bevonden sijn. Soo sijn alle gecondem­neert (= veroordeeld), om op de Vuchtse hijde levendig verbrant te worden, ter plaetse dat men noch de Jodekerchoff noemt, niet verre van de galg.[3]
Joden leenden geld aan machthebbers, hertogen en bisschoppen. Konden deze hun schulden niet terugbetalen, dan werden joden verbannen uit hun gebied. Eind dertiende eeuw bevond de Bisschop van Luik, wiens gebied zich ook tot Den Bosch uitstrekte, zich in een penibele situatie. Deze wereldlijk en geestelijk leider had zich om onlusten met militair geweld de kop in te drukken in de schulden gestoken. Met hertog Hendrik III van Brabant kwam hij overeen de joden niet alleen te verdrijven, maar ook uit te roeien. Uiteindelijk werden niet alle joden uitgeroeid, tenslotte bleef er behoefte aan geld. De weduwe van de Brabantse hertog zat met de Judenfrage in haar maag en vroeg de grote Thomas van Aquino om raad.

De vorsten der wereld kunnen over de bezittingen van deze, vanwege hun ongeloof, tot eeuwigdurende slavernij veroordeelde mensen beschikken als over hun eigen goederen.

Wat joden in eigendom bezaten, konden vorsten gewoon opeisen, met dank aan Thomas.
Halverwege de 14 eeuw vond een verschrikkelijke ramp plaats. De gruwelijke pestepidemieën vaagden een derde van de Europese bevolking weg. (In W-Europa leefden toen ca. 54 miljoen mensen) De oorzaak van de pestilentiale ziekten was onze voorgangers niet bekend. Het moest wel de duivel zijn, de antichrist, vermomd als jood. De jood vergiftigde de waterbronnen. Daarbij kwamen de lasterverhalen van priesters die vertelden dat joden christenkinderen roofden en hun bloed voor het bakken van matses gebruikten en ook nog eens het lichaam van Christus - de hosti - doorstaken.

Joden werden afgebeeld als duivels met een baard en poten van een bok die zich onledig hielden met varkens, kikkers, slangen en hagedissen; symbolen van ontucht en onreinheid.

In een samenleving waar slechts zeer weinigen konden lezen hebben afbeeldingen een enorme invloed, maar dat geldt eigenlijk vandaag de dag ook.

Hoe pakken de zogenaamde geletterden dergelijke beelden op? In 1934 verscheen Der Stuermer met een speciale uitgave met plaatjes waarop te zien was hoe een Rabbijn bloed uit Arische kinderen zoog.[4] En hoe joden anno nu in Arabische media worden afgebeeld kunt u geregeld uit de pers vernemen.
Dat joden zelf ook bij bosjes door de pest stierven deed niet terzake. Opnieuw volgden slachtpartijen, zoals in Straatburg waar 2.000 joden werden omgebracht. Veel joden vluchtten naar Oost-Europa, waar ze onder een relatief tolerant bewind een bestaan konden opbouwen.

Het Iberisch schiereiland kende weer een eigen verhaal. Daar woonden sedert de verwoesting van Jeruzalem (70 na Chr.) joden. In betrekkelijke vreedzaamheid leefden joden en moslims in Zuid Spanje, tot de joden in de 12e eeuw het leven door fanatieke moslims moeilijk werd gemaakt. Uit lijfbehoud "bekeerden" zich veel joden tot de Islam, anderen vluchtten naar het noorden van Spanje en Frankrijk. Interne verzwakking van de hegemonie van de arabieren in Zuid-Spanje leidde er toe dat veel joden weer terugkeerden. Tot dat ook daar het onheil naderde. De veertiende eeuw was een eeuw van vervolging. De joden werd de keus "dood of heilig water" voorgehouden. Aan het einde van deze eeuw waren 100.000 joden in Spanje gedwongen zich te laten dopen. Deze 'nieuwe christenen', Marranen genoemd, bleven 2e rangs katholieken en gewantrouwd. Dat wantrouwen was wel terecht, want velen bleven in het geheim trouw aan het jodendom.[5]
De Reformatie bracht geen verlichting, al bleven de joden - tenminste in West-Europa - massale moordpartijen bespaard.

Van belang was Luthers geschrift Dass Jesus Christus ein geborner Jude sei [6]. Jezus was een jood, wat de kerk liefst verdonkeremaande.

Luther leefde in de stellige verwachting dat nu het Evangelie opnieuw aan het licht was gekomen, de joden zich zouden bekeren tot Christus.[7] En Luther vreesde de aantrekkingskracht van het jodendom nu de ziekten waaraan de christelijke kerk leed  aan de oppervlakte kwamen.
Velen zagen Luther als bevrijder, als de man die de macht van het vrije woord boven het gezag van Rome stelde, maar hij kon zich als Middeleeuwer niet los maken van de idee dat de jood de duivel vertegenwoordigde. Luther begreep wel waarom joden zich niet bekeerden tot de Kerk van Rome, waar, om zijn woorden aan te halen, bisschoppen en priesters als 'varkens' leefden.

Toen de joden zich niet van hun synagoge losmaakten en het Evangelie omarmden schreef Luther zijn anti-judaistische schotschrift Von der Juden und ihre Luegen. Een absoluut dieptepunt in de geschiedenis van het reformatorische Christendom dat in de Nazi-tijd zelfs werd aangegrepen om de jodenmoord te rechtvaardigen.

Luther raadde aan synagogen in brand te steken en joden als dwangarbeiders te werk te stellen of hen naar Palestina te zenden - een vroeg, gedwongen Zionisme.[8] Raspolitieke standpunten waren Luther onbekend, hij zag Joden als vijanden van Christus, die de wederkomst van de Messias tegenhielden.[9] In die zin was zijn standpunt fel anti-judaistisch en geen uiting van antisemitisme waar men na de zogenaamde wetenschappelijke bestudering van de mens als soort en als ras in de 18e en 19e eeuw een begin mee maakte. Overigens sprak Erasmus ook over 'de plaag van het jodendom'. Humanisten en hervormers waren het er over eens: voor Joden was geen plaats in een christelijke samenleving.[10]

De mensen verkeerden aan het einde van de Middeleeuwen in grote onzekerheid. De tijd van Luther en Calvijn, de zestiende eeuw, was ook een eeuw van - in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland - opstanden van onderdrukte boeren. De mensen voelden, hoorden en zagen dat de ware kerk, de Kerk van Rome, die over het zielenheil ging, belaagd werd. De kerk die je de toegang naar de hemel verschafte, weg uit het ellendige aardse leven, zonk onder hun voeten weg. De muil van de hel stond wagenwijd open. Het sola gratia en sola scriptura van de reformatoren was voor velen een bevrijding.

Nu was men in die tijd - en dat gold zeker de theologen - niet mals voor elkaar. Over en weer, scholden roomsen, lutheranen, erasmianen en later calvinisten, elkaar uit. Een ieder werd de knersing der tanden, het eeuwige hellevuur en de realiteit van de duivel voorgehouden. Niet alleen in geschrift, maar zeker ook in beeld. De meeste mensen konden niet lezen. Zij moesten het hebben van verhalen, afbeeldingen in de kerk en de geïllustreerde schotschriften. De 'bose viant' - de duivel in de vorm van een jood, lutheraan of paap - waarde overal rond.

Tallozen waren er van overtuigd dat de eindtijd was aangebroken. Kijk maar: pestilentiën, hongersnoden, oorlogen en geruchten van oorlogen, rokende brandstapels, ketterijen en de menigvuldige wonderen (vooral monsterlijke misgeboorten) bevestigden dat.

(Kijk eens naar de schilderijen van Jeroen Bosch of zijn navolgers in het Noord Brabants Museum of de gravures die t.t.v. de reformatie werden vervaardigd)
De gruwelijke Dertigjarige Oorlog (1618-1648) werd voornamelijk op Duitse bodem  uitgevochten. De ontworteling van zovelen, het wegvagen van talloze dorpen inclusief inwoners, de vluchtelingenstromen en de tijd van de godsdienstoorlogen in de Lage Landen ging gecombineerd met de strijd voor en tegen de centralisatie van de staatsmacht, en was een vervolg op de wanhoop van zovelen in het Duitse Rijk.

De krakkemikkige Psalmberijming van de Zuidnederlander Petrus Dathenus of de liederen van de Duitser Paul Gerhardt (in het Liedboek voor de Kerken) waarin het leed wordt uitgeschreeuwd en felle aanklachten tegen de uitbuiters en moordenaars opklinken getuigen daar nog van. Ze namen het op voor de armen en verdrukten. Ja, rijmt Datheen, nu kan het de rijken nog goed gaan: Haar oogen pruisten zeer hoog op. Uit haren vetten dikken kop (psalm 73:4) Maar het lachen zal hen vergaan: De pofhansen, geacht groot van staten, Moeten als 't vee daarvan en alles laten (Psalm 49:4).[11]

We kunnen vrolijk rondhuppelen in middeleeuwse kledij op de zogenaamde Vestingdagen in Bommel, maar het was voor velen een ellendige tijd.
In Polen, maakten de joden rond 1600 circa 10% van de bevolking uit. De joodse gemeenschappen - hecht, op zichzelf gericht en homogeen - bloeiden en het interessante is dat zij, omdat rabbijnen en ouderlingen -de parnassijns - vaak een ijzeren greep op deze gemeenschappen hadden, de wereldlijke overheid veel werk uit handen namen omdat zij bijvoorbeeld een eigen rechtspraak hanteerden en zorgden dat "iedereen" in het gareel liep.

De joden waren een eigen volk, dat niet opging in andere volken. Ze gingen anders gekleed, gedroegen zich anders, namen een rustdag in acht die niet op zondag viel, hielden in tegenstelling tot de katholieken geen heiligendagen en hadden naar Oost-Europa ook nog eens een eigen taal meegebracht, die daar verder werd ontwikkeld. Een taal, het Jiddisch, een mengeling van Duits, Hebreeuws en Spaans, dat tot de WO II een wereldtaal was, waarin boeken en kranten werden gedrukt. De joden waren trots te behoren tot een eigen gemeenschap die werkelijk macht bezat en die zich in een vijandige omgeving aaneen kon sluiten.

Maar de Asjkenazische joden (Askenad wordt als kleinzoon van Jafeth genoemd in Genesis 10:3) bleven vreemden in de samenleving.

Het koninkrijk Polen zag zich de bewaker van de katholieke christenheid. Polen grensde aan het halfheidense Rusland waar de ketterse oosters-orthodoxen ook nog eens hun macht probeerden uit te breiden. Binnen Polen wakkerde de animositeit aan tegen protestanten en ook tegen joden.

Een kozakkenopstand onder leiding van Chmelnitzki midden zeventiende eeuw bracht de joden tot wanhoop, omdat deze kozakken verschrikkelijke misdaden begingen en hele gemeenschappen uitroeiden. De verschijning en de mythevorming rond Sabbatai Zwi, die voor veel joden de Messias was en eindelijk verlossing uit de diaspora zou brengen, liep uit op een grote deceptie. Joodse gemeenschappen waren volledig stuurloos toen deze Sabbatai Zwi zich tot de Islam bekeerde. (U kunt over beide figuren veel lezen in de verhalen en romans van I.B. Singer, met name in Satan in Goray)
Veel van de uit Spanje en Portugal gedwongen gedoopte joden waren eind 16e eeuw naar de Nederlanden, voor een groot deel naar Amsterdam, getrokken. De Amsterdamse groothandel keek niet naar religie, zolang deze maar niet provoceerde en de orde verstoorde! (Tussen twee haakjes, dat was ook de reden dat de VOC in het begin zo afwerend stond tegenover het bedrijven van zending in Indië. Dat bracht de handel in gevaar!) De Gouden Eeuw - voornamelijk een aangelegenheid van de toplaag, Amsterdam en enkele andere Hollandse steden - was gegrondvest op Orde en Stadtswelvaert. Aan felle dominees die fulmineerden tegen de Mammon hadden veel regenten aan de Amsterdamse grachten een broertje dood.
De Sefardim, de Spaans/Portugese joden noemden zich naar de ballingen die de profeet Obadja noemt (vs. 20),  kwamen in dit Amsterdam tot bloei. De prachtige synagogen herinneren aan hun welvaart. De zeventiende eeuw was dan ook de bloeitijd van het jodendom, althans dat meent Jonathan Israël in zijn pas vertaalde meesterwerk The European Jewry.

En die andere Joden dan?

Zij waren in de 14e eeuw, na de slachtpartijen die samenhingen met de pestepidemieën, naar Oost-Europa gevlucht. Als gevolg van het optreden van Chmelnitzki, achteruitstelling en totale desillusie door het optreden van de pseudo Messias Sabbatai Zwi trokken tallozen, veelal met achterlating van geld en goed, naar het westen. Velen hoopten in de Republiek der Verenigde Provinciën een nieuwe toekomst op te bouwen. Met name Amsterdam oefende grote aantrekkingskracht op hen uit. In de Republiek verwachtten de joden een tolerante houding aan te treffen. En vergeleken met de landen van herkomst was dit ook zo. De Republiek was inderdaad een Arke des Behouds. Maar voor het gros van de joden was deze veilige haven niet zo comfortabel.

Gilden


Vrijwel nergens werden joden in West Europa toegelaten tot gilden. Ook Nederlandse  ambachtsgilden namen hen maar zelden als lid op en dat betekende dat de uitoefening van de meeste beroepen niet mogelijk was. De gilden waren in de verstedelijkte Republiek machtige corporaties. Doel van deze verenigingen was protectie van het product dat in eigen stad en door de eigen gildenmeesters, de leden, werd geproduceerd of werd verhandeld. De gildenmeesters maakten prijsafspraken, garandeerden kwaliteit, duldden geen concurrentie en weerden buitenstaanders, dus ook joden. Eigen producten en eigen volk eerst, luidde het motto.

Zowel in de Middeleeuwen als in de Vroegmoderne tijd was xenofobie alledaags. De vreemdeling werd per definitie gewantrouwd.
Door verbodsbepalingen en omdat joden geen ruimte werd verleend voor het naleven van religieuze voorschriften waren vele eerbare beroepen voor hen ontoegankelijk. Een scala van andere beroepen treedt tevoorschijn uit de verhoren van door de justitie opgepakte joden: koopman in sitsen, katoen en neteldoeken, koopman in kleine waren en tabak, diamantklover, koopman in horlogegereedschappen, koopman in kleine negotie zoals lappen en bullen, koopman in kleine waren en oude kleren, violist, koopman in kaneel en saffraan, marketenter, koopman in kousenbanden en scheermessen.[12] Allemaal joden handelend in een door en voor velen verdachte combinatie van legale en illegale koopwaar die veel arme asjkenazim een slechte reputatie bezorgde.[13]

Een gildenambacht als smid, meubelmaker of bakker konden zij veelal niet legaal uitoefenen, behalve als zij hun product onder bepaalde voorwaarden voor eigen kring vervaardigden en binnen die kring verkochten. Daarom komen we relatief veel slagers tegen, die hun ritueel geslacht vlees binnen de eigen natie verhandelden.

Omdat veel andere beroepen voor hen gesloten bleven bracht dit joden in een bijzondere en zeer wankele positie.

Joden en poorterschap


In steden woonden burgers en ingezetenen. De grote groep ingezetenen had het burgerschap veelal niet nodig omdat zij een beroep als knecht of loswerkman of werkvrouw uitoefenen. Wilde je echter tot een gilde toetreden dan moest je burger of poorter zijn.

Aan dat  burger- of poorterschap waren rechten verbonden. Als je geen poorter was kon je geen lid van een gilde worden en de meeste eerbare beroepen konden zo niet worden uitgeoefend. Als burger of poorter genoot je ook de bescherming van de stad. Als Bommels burger kon je niet zomaar in Utrecht of Leeuwarden worden opgepakt en daar door de rechtbank worden veroordeeld. Een burger van Den Bosch hoefde ook geen tol te betalen op de Waal bij Zaltbommel. Daarover waren verdragen tussen Bommel en Den Bosch gesloten. Kortom je genoot bescherming in een land waar elke stad weer eigen rechten handhaafde en rechtsregels hanteerde.

Voor joden was het buitengewoon moeilijk het burgerschap te verwerven. Was je eenmaal burger dan hoorde je bij de geprivilegieerden. De stad kwam dan voor je op.

Dat ondervond Jacob Worms. De Bossche stadsregering beklaagde zich in 1699 bij haar Amsterdamse collega's, want Jacob, burger van 's-Hertogenbosch was voor de rechtbank in Amsterdam gedaagd.[14] (De eiser was overigens Cosman Elias Gompers, die onder meer in Zaltbommel de Bank van Lening exploiteerde). Poorters deden niet tevergeefs een beroep op bescherming door de overheid. De joodse buitenstaander werd, wanneer hij eenmaal poorter was, gerekend tot de gemeenschap van burgers en kon een beroep doen op de privileges die aan het poorterschap verbonden waren. Marcus Levi daagde Hendrik van Osch voor de schepenbank. Deze had hem op straat een klap gegeven. Voor de Bossche schepenen verklaarde Van Osch dat hij Levi ‘voor een eerlijk man erkent, van welken hij niet te zeggen heeft dan eer en deugd’ en dat hij hem ten onrechte ‘in haastigheijd’ een klap had toegediend. Van Osch werd veroordeeld tot een boete van ruim 230 gulden.[15] (Een bedrag waar een metselaar 8 maanden voor moest werken)
Burgerschap was erfelijk, Was je als christenmens burger, dan werden je kinderen bij de doop - en iedereen liet zijn kind dopen - automatisch burger. Wanneer een joods burger van 's-Hertogenbosch - en dat waren er in de loop van enkele eeuwen een handvol - kinderen kreeg, werden deze niet gedoopt, maar besneden. Als een jood al het poorterschap verwierf was dit niet erfelijk, omdat zijn kinderen niet gedoopt werden. Kinderen van joodse poorters moesten, indien zij poorter wilden worden, een verzoek bij de stadsregering indienen of zij het poorterschap konden kopen.
De Staten Generaal liet de beslissing om joden het poorterrecht door koop te laten verwerven aan de steden.[16] Delft, Schiedam, Utrecht,[17] Gouda, Deventer en Zutphen – gelegen in het liberale Holland alsmede in de zogenoemde landprovincies - lieten in het geheel geen joden toe.[18]

In sommige steden, bijvoorbeeld Amersfoort, Rotterdam, maar ook Den Bosch en Zaltbommel werd het hen, zij het onder voorwaarden, van tijd tot tijd mogelijk gemaakt poorter te worden.[19] In Amsterdam konden joden na het verkrijgen van het burgerschap toetreden tot een beperkt aantal gilden.[20] Amsterdam was, ik merkte het al op, een oase van tolerantie in vergelijking met de rest van de Republiek en zeker wanneer we dat vergelijken met de andere landen van ons continent. In 1642 bezocht Prins Frederik Hendrik de Portugese Synagoge. Rabbijn Menasse ben Israël zei bij die gelegenheid: 'We zien niet langer Castilie en Portugal, maar de Nederlanden als ons vaderland'.[21]

Dat was wel heel optimistisch gesproken
De joden die in 's-Hertogenbosch het poorterrecht konden kopen, mochten tot het koopliedengilde toetreden. Uit Zaltbommel is bekend dat een aantal joden lid van het schoenmakersgilde waren.

Tussen 1680 en 1780 verkregen in Den Bosch slechts dertien joden het poorterrecht. Jacob Worms kocht in 1680, enkele jaren na zijn vestiging in de stad, het privilege.[22] Van een consistent overheidsbeleid was echter geen sprake. Zo sloeg het stadsbestuur acht jaar nadat Jacob Worms het recht kocht, het verzoek van Ysack Coenraedt af.[23] In dat jaar besloot de stadsregering niet alleen dat geen jood meer het poorterschap zou worden verleend, maar dat er zelfs geen joden meer in de stad mochten wonen. Een jaar later echter gunde het stadsbestuur aan Hartog Jacobs het poorterschap. [24] Dat ging wel met de nodige aarzelingen, want 'eenige Coopliede en Winckeliers' wezen op 'vuyle practijken' van een andere jood, Jacob Worms.

Toen er een persoonlijke aanbevelingsbrief van Godart, baron van Reede en vrijheer van Amerongen, bij het stadsbestuur werd bezorgd, veranderde de situatie.[25] Van Reede was nauw bevriend met koning-stadhouder Willem III en buitengemeen invloedrijk.[26] Willem III op zijn beurt steunde voor zijn veldtochten en oorlogvoering op joods kapitaal.[27] Een figuur als Hartog Jacob zou in Duitsland een "hofjood" zijn genoemd. Veel vorsten in Duitsland, maar ook 'onze' stadhouder Willem III, onderhielden contacten met joden die zorgden dat hun legers en legertjes gefinancierd werden. Deze Hofjoden genoten een speciale positie, maar konden evengoed snel worden afgedankt.

Joden moesten dus hun sociaal kapitaal aanspreken. Niet lobbyen en netwerken in eigen kring, maar zorgen dat er belangrijke mensen onder de gezeten burgerij waren die hen terwille wilden zijn.
In Zaltbommel kwam eind 17e eeuw ook een jood wonen die uit een familie kwam met belangrijke betrekkingen aan de Duitse hoven, ik noemde zijn naam al, Cosman Elias Gomperts. Hij pachtte de Bommelse Bank van Lening.

Gompers kwam uit Emmerik waar net als in Kleef familieleden van het geslacht Gompers woonden. Misschien had de familie wel in Nijmegen willen wonen, maar dat was voor joden verboden. In 1665 echter kreeg Leeman Gomperts uit Emmerik toch de leiding over de Bank in Nijmegen en dertien jaar later had Cosman Elias Gompers dus het geluk dat hij de Bommelse Bank van Lening kon pachten. De historicus Jonathan Israël zegt dat omstreeks dezelfde periode in Zaltbommel een joodse gemeenschap ontstond. Interessant zijn de woorden die Israël  - in een andere publicatie - wijdt aan de betekenis van de familie Gompers in internationaal verband, onder meer bij een opstand tegen de Engelse koning Karel II en als leveranciers van militair materieel aan de keurvorst van Brandenburg. Cosman Elias Gompers was niet honkvast. Hij liet de exploitatie van de Bank van Lening aan zijn knecht Hartog Levi hoewel Zippora, de echtgenote van Elias Gompers, lange tijd lange tijd toezicht op het reilen en zeilen van de bank hield. Gompers zorgde in Amsterdam voor de uitgave van belangrijke joodse godsdienstige werken die in Oost Europa aftrek vonden. Zo reisde hij met zijn boeken naar Moravie in het oosten van de huidige republiek Tsjechie.[28]

Privileges


In 1695 waren de joden van Den Bosch doelwit van allerlei ‘moetwilligheden’. Bosschenaren smeten vuiligheid naar hen en bezoek werd bedreigd. Het stadsbestuur vaardigde een publicatie uit waarin gelast werd de joden – Jacob Worms, Hartog Jacob en Isaacq Worms, alle drie in het bezit van het burgerrecht – en hun gezinnen, bezoek en hun huizen met rust te laten.[29] Burgers, deden niet vergeefs een beroep op bescherming door de overheid. De joodse buitenstaander werd, wanneer hij poorter was, gerekend tot de gemeenschap van Bossche burgers en kon dus een beroep doen op de privileges die met het poorterschap verbonden waren.

In 1711 echter hield het stadsbestuur zich afzijdig toen het op de Sint-Nicolaasmarkt  tot een uitbarsting van geweld kwam. Niet alleen bestuursleden van het koopliedengilde, maar ook twee dienaren van de hoogschout plunderden de kramen van enkele joden, die duidelijk geen burger van 's-Hertogenbosch, noch inwoner waren.[30] Volgens een getuige zouden de dienaars van de hoogschout soldaten hebben aangemoedigd om ook te komen plunderen door te roepen: ‘Helpt maer plunderen, het zijn maer Jooden’.[31]

Joden - poorter of niet-poorter - waren een ergernis en werden als een bedreiging ervaren. Het regende de hele eeuw klachten over de handel en wandel van joden. In 1711 en in 1713 behandelde de magistraat een klacht tegen Jacob Worms die te veel joodse logees in zijn huis zou hebben die goederen te koop aanboden. Resultaat was een verbod op het laten logeren van 'vreemde' joden.[32] In 1721 wendde het goud- en zilversmedengilde zich tot het stadsbestuur omdat joden gestolen zilver zouden verhandelen.[33] Salomon Ephraim en Simon Heijman werden in 1734 ten onrechte door een Bossche wijnhandelaar beschuldigd van valsheid in geschrifte.[34] In 1747 dienden ‘Joden en andere slegte [arme] lieden’ de stad te verlaten.[35]
De komst van twee joodse kooplieden uit Maarssen, de gebroeders Van Lier, in de jaren zeventig van de achttiende eeuw leidde tot protesten van het koopliedengilde.[36] "De onder-vinding leert dat die van de Joodsche Natie (…) zich op allerlei intrigues toeleiden en hunnen negotie meerendeels bestond uit goederen voor het uiterlijk opgeschikt doch in de grond defectueus èn bedrieglijk…’ Onomwonden verzochten de kooplieden de joden geen toestemming meer te verlenen zich in de stad te vestigen en hen zeker geen poorterrecht meer te verlenen. Immers, ‘bedriegerijen (zijn) zeer eijgen aan dat geslacht’.[37] Het protest van het koopliedengilde leidde er uiteindelijk toe dat de joden zich zelfs niet meer in de stad mochten vestigen.[38]

Er waren joden die het goed ging, maar de meeste joden behoorden tot de kansarme groepen in de samenleving. Hun bestaan was onzeker. Evenals andere gemarginaliseerde groepen was voor hen de verlei­ding om in het criminele cir­cuit terecht te komen groot.[39]

Arm en berooid in de Republiek gearriveerd, stegen zij - ook omdat zij vreemdelingen waren - niet op de maatschappelijke ladder. Er was voor hen geen plaats in een 'geordende' samenleving.

"Joodsche Natie" en Tweede Israel


De gevestigden aanvaardden buitenstaanders niet zelden als een noodzakelijk kwaad en dat gold speciaal de Joodsche Natie.

De Joodsche Natie, deze typering laat zien dat zij als vreemd aan het eigen 'vaderlandse' volk werden beschouwd, woonde en werkte tussen hoop en twijfel.

Tekenen van een goede verstandhouding waren er gelukkig ook.

Zo'n teken - ik trof deze in een akte in het Bosch notarieel archief - was de aanwezigheid van juffrouw Helena van Bladel en juffrouw Margareta van Coolen ‘coopvrouwen en inwoonende poirteressen’ bij de besnijdenis van Philippus Worms in 1718.[40]

Het is ook bekend dat de orthodox gereformeerde predikanten met de joden spraken over het Oude Testament.

Abraham Hellenbroek, midden 17e eeuw gereformeerd predikant in  Bommel, verwijst in zijn gedrukte preken, honderden malen naar rabbijnse geschriften. De visie van Hellenbroek was uitzonderlijk. Hij wijst er op dat de volkeren, de heidenen, dus ook de christenen, zullen naderen "tot Sion". Omdat het evangelie daarvandaan is gekomen. De "joodsche kerk" zegt Hellenbroek "moet de Moederkerk blijven" [41]

Belangstelling onder protestanten was er zeker voor het Jodendom en het Oude Testament, vaak echter niet uit liefde voor het jodendom maar eerder ter legitimatie van het eigen bestaan. Of alle joden deze liefde waarderden weet ik niet, wel dat naast felle polemieken en extreme generaliserende vijandschap ten opzichte van het christendom bij joodse polemisten een warm plekje in hun hart was voor de Nederlandse calvinisten.[42]

Interessant is de ontwikkeling van de zogenoemde Tweede Israël gedachte binnen het gereformeerd protestantisme. De gereformeerde kerk nam daar de plaats in van Israël. Deze directe planting Gods - "is" - ik citeer de invloedrijke predikant Van Velzen "aangenoomen tot Gods byzonder volk, als Israel aan de Sinai." Willem van Oranje werd vergeleken met Mozes, zijn broer Jan van Nassau met Aaron. De Oranjes redden het volk uit het "Aegypten der Spaanse dwingelandy".

De Oudtestamentische boodschap werd toegepast op de eigen tijd, op de eigen kerk en op het eigen Nederlandse volk.[43]
Over het algemeen echter werden de joden door gereformeerd en katholiek gezien als mensen met een verstokt hart. Ds. Mobachius bad in 1745 voor twee joodse misdadigers die in Den Bosch werden opgehangen of zij nog op het laatst bekeerd mochten worden: "Zij hebben helaes tot op dit laeste ogenblik toe uw heilig Kind Jesus, O Vader, welke gij hun gesonden hebt en van hunnen vaderen gekruicigd was, smadelijk verworpen."[44] Onbegrijpelijk dat zij met de dood voor ogen, nog vasthielden aan hun dwalingen en zonden.
In de achttiende eeuw is er sprake van "de nieuwe menslievendheid". ‘Verlichte geesten’, zoals de ‘opinion leader’ van het vaderland, de in Den Bosch wonende en schrijvende Justus van Effen, veroordeelden het beledigen van ‘een eerlijken Jood’. Ze achtten dit in strijd met de ‘menschelijkheid’. Ook keurden zij het mishandelen en beledigen van joden door het ‘woeste en van denkbeelden ontbloot Janhagel’ af, maar voor de ‘menschlievende’ vaderlanders viel ‘de menigte (joodse) Kramertjes’ die ‘hunnen schelmstukken buiten het bereik der wetten houden’ toch buiten de categorie ‘eerlijke joden’.[45] Fatsoen was duidelijk verbonden met de brave burgerstand, zelfs al was deze joods.

De kleine joodse marskramertjes die met lappen en bullen leurden waren de gevestigden een doorn in het oog. Het liefst zagen ze die verdwijnen.
De oppassende burgerij twijfelde er niet aan dat zich juist onder joden ‘openbare Rovers en gauwdieven en de hardnekkigste, baldadigste en lastigste Bedelaars’ bevonden, ‘die een fatsoenlyk mensch op de gemeene straat ontrusten kunnen’.[46] Het gebruik van de aanduiding ‘smous’ in officiële stukken van de overheid was gewoon[47] en de term ‘spekjood’ heel gebruikelijk.[48]

‘Smous’, ‘smous’, riep een aantal bakkersknechten tegen Levy Nathan.

Bij ondervraging door de justitie verklaarden zij ‘dat sulx alleen voortkwam uit die vrij algemeene doch onbetaamlijke gewoonte om jooden te bespotten.’ Een van de verdachten leek het ook normaal te vinden een jood om het leven te brengen. Chirurgijn Bolsius, die in 1785 getuige was van het mishandelen van Levy Nathan en andere joden uit Den Bosch en Vught, sprak de verdachten op hun misdadig gedrag aan. Bakkersknecht Versteinen vroeg aan de stadsdokter ‘of sij dan geen smous mogte vermoorden’. ‘Neen’, zei Bolsius, ‘gij meugt nog geen kat vermoorden’. Het strafrecht maakte dan wel geen onderscheid tussen christen en jood,[49] hoogschout (officier van justitie) Van Adrichem wees in dat jaar in zijn aanklacht tegen het viertal Bosschenaren dat een groep joden had gemolesteerd, er wel op dat joden ‘gewoon zijn hunnen clagten tegens de christenen ten breedsten uyt te meeten’. De verdachte bakkersknechten merkten nog op dat joden ‘een natie (let op: 'buitenstaanders' dus) (waren) altijd op de christenen gebeeten’.[50] Op het platteland was het allesbehalve pluis. In het bijzijn van ds. Stephanus Hanewinkel, die aan het einde van de achttiende eeuw het Oost-Brabantse platteland ‘doorkruiste’, werden joden door de katholieke bevolking bedreigd. Vol minachting werd op de grond gespuwd als men over joden sprak en kinderen jouwden: ‘Smouse Gek! Lusje geen Spek?’[51] Mensen die afweken van het 'normale' patroon waren niet gewenst.


Bommel


We gaan terug naar Bommel. Na het vertrek van bankier Gompers wordt decennia lang weinig vernomen van joden in Zaltbommel. Halverwege de achttiende eeuw is er echter sprake van een kleine joodse gemeenschap, die zich rond de gebroeders Levy en Nathan Hartog vormde.

Levy was slager, maar geen lid van het slagersgilde. Hij kocht vee en slachtte dit op rituele wijze voor de joden in Zaltbommel en omgeving. Hij leverde echter ook aan het Weeshuis. Hij kon hij zich wel inkopen in het schoenmakersgilde. Om huiden te looien en te verkopen was dit ook noodzakelijk. Levy, woonde in de Kerkstraat, het derde huis vanaf de Bloemendaal.

Hoewel het schoenmakersgilde hevig protesteerde kon ook Nathan zich met de instemming van het stadsbestuur in dat gilde inkopen. Nathan was eveneens slachter. Overigens zullen - opnieuw onder hevige protesten - in 1778 de gebroeders Barend en Isaac Hartog eveneens tot het schoenmakers- en looiersgilde worden toegelaten.
Tussen Nathan en Levy boterde het niet. Nathan klaagde over zijn broer die zich niet aan gemaakte afspraken hield. Een van de afspraken luidde dat beiden om de maand uit de boeken van Mozes mochten lezen. Daarnaast bleek er in de kerk  gevloekt en geruzied te worden.

Voor wanorde en chaos was de overheid als de dood en greep dan in.

(NB: de overheid ging over de kerk, niet alleen over de Israëlieten. Bij wanorde greep het stadhuis ook in bij gereformeerd en katholiek. De laatsten hadden overigens maar weinig te vertellen. Gereformeerden maakten de dienst uit)
Tussen Nathan en Levy bleef het niet bij woorden. Levy kon zijn handen niet thuis houden en gaf zijn broer een oorveeg. De Bommelse schepenbank veroordeelde hem tot 25 gulden boete. In 1782 stelden de broers de aanstelling van een rabbijn voor. Deze zou als intermediair kunnen dienen. Uit vrees voor een toeloop van meer joden naar de stad - vermoed ik -, verbood het stadsbestuur echter de komst van een rabbijn.

Om de kemphanen en hun volgelingen uit elkaar te houden werden in de stad twee afzonderlijke gebedsruimtes ingericht, op neutraal terrein, bij niet-joden die een kamer verhuurden.

Overigens hadden de joden van Den Bosch ook te kampen met ruzie onder de gelovigen. Onder verwijzing naar de Bommelse oplossing ontstonden ook hier twee afzonderlijke gebedsruimtes.

'Een kerk die leeft scheurt', om Maarten 't Hart te citeren.
Nathan en Levy hadden ieder hun volgelingen. Of er verschillen waren over de interpretatie van de Boeken van Mozes, is niet bekend. Maar kerkscheidingen en kerkscheuringen hoeven daar ook niet over te gaan. Van Mozes Binger, die in een bepaalde zaak voor de schepenen van Bommel getuigde, weten we dat hij een tijdje "de kercke" van Levy Hartog bezocht, maar daar kwam zoveel "slegt volck", dat hij zich toen maar bij Nathans groep gevoegd heeft.[52] In Gameren woonden ook joden, want Mozes vertelde van een hoedenschoonmaker, de vader van de vrouw van een zekere Daniel. De hoedenschoonmaker was waarschijnlijk Jacob Levi, die van Metz afkomstig was. Deze twee kwamen ook bij Levy Hartog aan huis.
Bommel drong overigens tot de Staten Generaal door. In Den Haag werd in juni 1763 gesproken over een overval in Loon op Zand, door een joodse bende. De boeven waren naar Bommel gevlucht en vonden onderdak bij Levy Hartog. Het huis werd omsingeld en circa 10 verdachten werden opgepakt. In Bommel ontstond een rel, aangewakkerd door de gereformeerde ouderling en boekhandelaar Kanneman die in een door hem uitgegeven periodiek liet afdrukken dat er joden waren ontsnapt door omkoping van dienders.[53] Dat kritiek op de overheid gevaarlijk kon zijn, ondervond Kanneman niet veel later. Voor Kanneman waren joden overigens een 'arglistige Broederschap' met 'geheime oogmerken'. Daar staken de mythen weer de kop op. Joden waren figuren uit griezelromans: "unbekannnt, abgesondert, geheimnisvoll und schnell verdaechtigt".[54]
De joodse gemeenschap bleef in Bommel bestaan en groeide. In 1786 kreeg Levy Hartog toestemming een begraafplaats in te richten. (Overigens wist Levy in 1748 al een plekje om joden te begraven, te verkrijgen. Het eerste van de vier Joodse kerkhoven).

Een door hem gemaakt ontwerp stuitte echter op bezwaren van, hoe kan het anders zijn broer Nathan en enkele joden uit Waardenburg en Ammerzoden.

Het kerkhof kwam er toch. De grafzerken van Levy en zijn vrouw Marianne Jacobs zijn nog te zien, achteraan rechts op het ommuurde kerkhof naast de wilde plantentuin van de Natuurwacht.

Verpaupering, bendevorming, toename discriminatie


De toename van discriminatoire maatregelen tegen de joden in de tweede helft van de achttiende eeuw werd ongetwijfeld versterkt door de als maar groter wordende  verpaupering in ons land die ongenadig toesloeg, met name onder de grote groepen joden die al aan de rand van het bestaan balanceerden. Velen kwamen daardoor in de criminele sfeer terecht. Het optreden van joodse bendes[55] en individuele joodse criminelen versterkte het negatieve beeld van de jood.[56]

Zonder uitzondering waren de joden die opgepakt werden en in voorar­rest zaten op de Bossche gevan­genpoort arm. In het vonnisboek werd bij een aantal joodse verdachten aangetekend dat 'zij geen behoor­lijk middel van bestaan hebben gehad, en dus geleeft en hun bestaan gezogt en gevonden hebben in dat geen, het welk zij op hunnen wijze hebben kunnen vangen of grij­pen'.[57] De beroepen die zij opgaven tij­dens een verhoor zijn niet alleen kenmerkend voor joden, maar wij­zen ook op een bestaan aan de rand van de samenleving, zoals de venter in scheermessen en kouseband, een heier van palen in Amsterdam en een kramertje in 'kleine waren'.
            Een dossier uit 1783 bevat de gegevens van een groep joodse verdach­ten.

            *Meijer Feits, ac­tief in de 'kleine negotie in lappen en bullen', kwam uit Hamelburg en opereerde rond Gennep, in Den Bosch en omgeving (Berli­cum) en in het Land van Maas   en Waal.

            *Heijman David alias Smoel Elsoph, verkocht 'kleine waren' en was geboren in

            Witgen­stein. Hij bekende dat hij al eer­der gevangen had gezeten en daar, in

            Groningen, ook gebrand­merkt was. Nu, in 1783, werd hij ver­dacht van inbraak en diefstal in Tilburg en in Gennep.

            *De veertigjarige Salomon Isaac of Salomon Gast, was geboren in de buurt van Neurenberg. Hij pro­beerde aan de kost te komen met de verkoop van 'kleine waren en oude kleren'. De oude kleren die hij op­kocht bracht hij naar Duitsland. Hij bekende gesto­len en inge­broken te hebben in Beusichem (Betuwe). In Duits­land had hij al eens gevangen gezeten.

            *Een aantal vrouwen was even­eens actief, waaronder Gaale, de vrouw van Heijman David, die verdacht werd van dief­stal, Rachel, weduwe Hersch, bedel­de en Vogel­tje, de vrouw van Isaak Meijer alias Lezer Zwartzig, vagebondeer­de en heelde gestolen waar.[58]

            Tussen augustus 1783 en juni 1785 werden de bendele­den gevon­nist. Het vonnis tegen de mannen die inge­broken hadden, Joseph Meijer en Heijman David, luidde ophanging, en Leibman Israël werd veroordeeld tot het aanschouwen van deze executie voor het Bossche stadhuis. Daarna werd hij gegeseld, gebrand­merkt en voor eeuwig verbannen.[59]

            De zestienjari­ge Manuel Meijer werd niet be­straft, 'ter oorzaake dat des­selfs

            wanbe­drijf in de kindsheijd en jonge jaaren is voorgevallen'.[60] Gaale werd gege­seld en verban­nen, [61] Rachel uit de stad gezet [62]en Vogel­tje ver­ban­nen.[63]

Mijn indruk is overigens dat joden niet zwaarder werden gestraft dan christelijke

boeven.[64]
In 1790 werden de joden Den Bosch opnieuw uitgezet. Simon Hartog  – inmiddels ‘rabbi ende opziener der Joodsche gemeente’[65]- vroeg de magistraat of hij – in aanzien onder de joden – ook moest vertrekken. Zijn verwijdering uit de stad betekende een grote smet op zijn blazoen.[66] Simon Hartog, wendde zich net als veel gevestigde joden af van de kleine ‘pakdragende’ jood, de ‘massa Kramertjes … met hunnen schelmstukken.’[67] Het stadsbestuur betoogde echter dat de ‘geduurige en veelvuldige diefstallen’ door joden slechts mogelijk waren doordat ‘de plegers van dezelve middel vinden om hunne gestoole goederen vaardig kwijt te raken, waartoe de jooden immers van die soort als zich hier ter neder zetten, gelijk niemand zal ontkennen zeer geneigd zijn de hand te leenen.’ [68] Ondanks de antisemitische toon en de dreigende taal – Joden ‘schuwen het ligt’, Hartog bedrijft ‘swendelhandel’[69] - lukte het echter niet Simon Hartog uit de stad te krijgen.[70]

Enkele jaren later mochten de joden terugkeren. In 1796 werden zij officieel niet meer als leden van een afzonderlijke ‘Joodsche Natie’ beschouwd. Zij dienden als volwaardige burgers te worden bejegend. Maar dat gebeurde niet. Nog in 1806 duidde het Bossche gemeentebestuur de joden aan als ‘van de Joodsch Natie’ en maakte hen, zelfs bij de Minister van Binnenlandse Zaken, verdacht. De aanwezigheid van joodse handelaren bezorgde de winkelnering veel schade ‘als wetende zij door listige handelswijze en slechtere waren, die zij tot mindere prijzen uitventen, zich in een meerder debiet dan de christenen te attireren’. Daarnaast werd hen de toename van de criminaliteit eveneens aangewreven.[71]
De gelijkstelling voor de wet was voor veel joden overigens een probleem omdat zo'n maatregel de eigenheid aantastte. Als iedereen officieel gelijk is en voor gelijk wordt gehouden dan moet je sterk zijn om je eigenheid te bewaren. De joodse gemeenschap, kampte daarom sterk met assimilatie.

Joden waren dan wel gelijkwaardig, maar een christen was gelijkwaardiger. Dat vond de vader van Karl Marx, in Trier ook. Hij werd Luthers en daarmee eerder geaccepteerd en zo lag een maatschappelijk carriere binnen bereik. Karl Marx zocht zijn familie in Zaltbommel op. De Philipsen waren van Joodse afkomst, maar in 1826 gingen zij met twee andere joodse families over naar de algemeen geachte en toen officieel met de staat verbonden Nederlandsche Hervormde Kerk. De Philipsen werden liever niet herinnerd aan hun joodse verleden. Een herdruk van het verslag van hun overgang naar de Nederlandsche Hervormde Kerk, de doop aan huis - voor deftige lieden werd een uitzondering gemaakt - trachtte de familie uit de handel te nemen.

Het was ook niet prettig om voor je jood zijn uit te komen. Je was gelijk voor de wet, maar in de praktijk kreeg je met kwaadaardigheid te maken.

De Opperrabbijn van Noord Brabant Betzalel Glogauer klaagde dat hij dagelijks op straat "publiekelijk werd bespot". "Ieder een wordt voor goed gehouden, tot zo lang het tegendeel blijkt" schreef de joodse onderwijzer B.S. de Jonge in een ingezonden brief in de Bossche krant, maar ten aanzien van joden wordt dit omgedraaid.

Reden voor hem om te verhuizen.

Neergang, antisemitisme


In de 19e eeuw nam het antisemitisme in Europa sterk toe en leidde tot Pogroms in Oost Europa. De Dreyfus-affaire - de joodse legerofficier Dreyfus werd wegens spionage veroordeeld en verbannen - in Frankrijk stond niet op zichzelf. Hoofdcommentaren in de katholieke Brabants/Bossche Provinciale krant voorspelden rond 1900 ook al niet veel goeds. De beschaafde Bossche hoofdredacteur voedde zijn lezers met griezelsprookjes over geheimzinnig joodse complotten. Op 23 juli 1894 schotelde hij zijn lezers het volgende voor: ‘De Jood leeft van den handel, en hierin heeft hij door zijn eenzijdige levensrichting in de loop der eeuwen een talent, gevatheid en sluwheid verkregen (…) Werp slechts uw blikken rond, en gij zult den jood vooral daar het sterkst vertegenwoordigd vinden, waar of de ellende of de speculatie hun zetel hebben; ginds exploiteeren zij den nood, hier de kans of de gewinzucht'.

Het Noordbrabantsch Dagblad, De Maasbode, maar ook tijdschriften als de Katholieke Gids waren spreekbuizen van het antisemitisme. Het ging daarbij, volgens de katholieke kerkhistoricus Theo Salemink, niet enkel om de vermeende godsmoord door de Joden, over 'rituele moorden en hostieschennis', maar ook over '   'een Joodse wereldsamenzwering' en de 'inferioriteit van het Joodse ras'. De aanhang voor dit felle en vuile antisemitisme, voedingsbodem voor de latere holocaust, beperkte zich niet tot enkele marginale buitengebieden, maar drong door tot in het hart van het katholieke milieu'.[72] In het gezapige Nederland kwam het niet tot geweld, maar even over de grens in Xanten, verdween in 1890 een joodse slager, beschuldigd van rituele moord, in de gevangenis. En Xanten was niet het enige stadje in Duitsland waar het tot pogrom-achtige activiteiten kwam en een heksenjacht op joden werd geopend.[73] De kleine Hitler groeide op in een geaccepteerd antisemitisch klimaat.
De woorden van de Bossche hoofdredacteur passen zo in Mein Kampf dat drie deccenia later verscheen.

In de kolommen van het Dagblad van Noord-Brabant bleef het antisemitisme tot diep in de jaren dertig aanwezig.[74] We weten wat er volgde en hoe het eindigde.
Vandaag blijken joden ook weer christenbloed te gebruiken voor hun matses. En ze zijn uit op de wereldheerschappij. Ze vormen een gevaar voor de wereldvrede.

De in Tsaristisch Rusland verzonnen Protocollen van de Wijzen van Zion gaan als broodjes over de toonbanken. Vandaag worden allerlei antisemitische spookverhalen in Egypte aan de man gebracht. Arabische TV-soaps zijn er ook op gebaseerd. De hoogste autoriteit in de Soennitische wereld, de sjeik van de Al Azhar universiteit in  Cairo vindt de joden "vijanden van Allah, afstammelingen van apen en varkens.'[75] Een populaire Arabische TV-zender die ook in Nederland via de schotel is te ontvangen wist het in december 2004 zeker: Joden verspreiden Aids.
Ook in Nederland schijnen mensen weer last te hebben van antisemitische gevoelens. Ze zijn nooit weg geweest. Dat de Protestantse Kerk kort geleden nog maar eens wees op opkomend antisemitisme is helaas nodig. Maar of de boodschap werd verstaan? De protestantse dominee Mos uit Wassenaar - nu mei 2006 - in opspraak, vond dat hij de verzamelde gelovigen moest vertellen dat joden verraders zijn en dat Hitler de Bijbel goed begrepen had.

Het is de bedoeling dat kerkmensen en niet-kerkmensen reageren op al die domme, kwaadaardige en racistische praat, met een luid protest. Dat laatste zeg ik niet als historicus, maar als een gewoon mens.
Av

[1] R.B. Dobson, The jews of medieval York and the massacre of March 1190 (York 1974; Borthwick Papers no. 45).
[2] J. Becker, ‘ ’s-Hertogenbosch. De oudste Joodse gemeente in de noordelijke Nederlanden’ in: Studia Rosenthaliana XVIII, 1 (Amsterdam 1984), 75-78.
[3] Die Chronijcke der Stadt ende Meijerije van 's-Hertogenbosch [folio 1.r.]
[4] Ph. Ziegler The Black Death (Harmondsworth 1970) 100-101
[5] Over de Marranen: E.D.J. de Jongh, De Marranen (Verkenning en Bezinning 19, nr. 3,  sep. 1985)
[6] Heiko Oberman, Luther (1987) 288
[7] W. Kooiman, Luther  (1954) 197.
[8] Kooiman, 199.
[9] G. Ritter, Luther (1962) 176.
[10] Swetschinski in: Blom (2004) pp. 65-70.
[11] Van Deursen, Bavianen etc. 176 ev.

[12] RA. Xxxxx
[13] Florike Egmond, Op het verkeerde pad (1994) 237-238.
[14] OSA nw. nr. 715.
[15] RA. 468, 15 december 1777.
[16] B. Panhuysen, Maatwerk (2000) 81. Jonathan Israël betoogt dat 'algemene uitsluiting' van joden uit de Generaliteitslanden toe moet worden geschreven aan het beleid van de Staten-Generaal. (J. Israël, 'De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tot omstreeks 1750' in De joden in de Republiek tot omstreeks 1750, p. 110) Uit de Bossche archieven blijkt geen verwijzing naar Haags beleid, bovendien werden joden in de Staatse periode toegelaten, zij het onder voorwaarden en met mondjesmaat.
[17] Dekker vermeldt een enkele uitzondering in de periode 1720-1725 in: ‘Maarssen en Maarsseveen, Joodse centra in de achttiende eeuw’ in D. Dekker, Toestanden en gebeurtenissen uit de geschiedenis van Maarssen (Alphen aan den Rijn, 1986) 54.
[18] Lourens/Lucassen, ‘Ambachtsgilden etc.’ (NEHAjb. 1998), 150, 152.
[19] Zie Aart Vos, "Vogelvrij of tweederangs?  ’s-Hertogenbosch en de joden in de achttiende eeuw’ in: Joël Cahen en Anton van de Sande, Joods leven in Brabant. Bijdragen tot de geschiedenis van een minderheid (’s-Hertogenbosch 1996) p.76;  Erika Kuijpers en Maarten Prak, ' Burger, ingezetene, vreemdeling: burgerschap in Amsterdam in de 17e en 18e eeuw' (2003) (123-124.
[20] Het chirurgijns-, makelaars- en boekverkopersgilde (Lucassen, 'Joodse Nederlanders' in Berg etc. Venter, fabriqueur etc., p. 38; voorts Panhuysen, Maatwerk, 79-80).
[21] Blom e.a. Geschiedenis van de Joden in Nederland (p.171)
[22] Niet geregistreerd in de poorterboeken, wel in stadsrekening 1684-1685 (OSA, oud-nr. B378, fol. 16).
[23] Waarschijnlijk (mede) door toedoen van ambachtsgilden. De rekening van de goud- en zilversmeden over 1687-1688 meldt het ‘bijeenkomen over de joden’ en ‘een rekest tegen de joden’. (AG., 313.)
[24] Vos, ‘Vogelvrij etc.’, 76. Het is niet duidelijk waarom Panhuysen 1689 vermeldt als jaar waarin het stadsbestuur het joden verbood zich in Den Bosch te vestigen. Panhuysen noemt 1768 als het eerstkomende jaar waarin een jood weer het poorterschap mocht kopen. (p. 81-82). Reijnders (1976), naar wie zij verwijst, vermeldt 1689 niet als jaar van het vestigingsverbod, wel dat tussen 1688 en 1768 joden poorter werden. In 1689 kocht Hertog Jacobs het poorterschap, in 1692 Isaac Worms, drie jaar later Josua Worms, in 1718 Salomon Ephraims en in 1728 Simon Mozes Heijmans. Bij Michiel Nathan en Samuel Isler die resp. in 1742 en 1755 werden ingeschreven staat geen vermelding ‘jode’, ook niet bij XXX Capadose die in 1702 poorter werd. Zie eveneens Bader,  Uit stof en as (1998, p. 25-26).
[25] OSA, Diverse stukken, 2 augustus 1689.
[26] O.m. Stefan van Raaij en Paul Spies, In het gevolg van Willem III & Mary. Huizen en tuinen uit hun tijd (Amsterdam 1988) 131.
[27] D.J. Roorda, 'De joodse entourage van de Koning-Stadhouder' in D.J. Roorda, Rond Prins en Patriciaat. Verspreide opstellen door D.J. Roorda (Weesp 1984) 143-155.
[28] Over Gomperts en hofjoden zie ook Israel European Jewry, hfdst. VI en Israël "De Rep. der Ver. Ned tot omstreeks 1750" in: Fuks etc.  pp. 109 ev. en genealogisch werk over de familie Gompers en de memoires van Glickl Hamel.
[29] OSA, oud-nummer A.179, 8 oktober 1695.
[30] T.w. Sijmen Jacobse, Abraham Daniëls, Jacob Isacqs, Salomon Isaqs en Levi Prins.
[31] NA. 2921, 12 december 1711, fol. 415. Van dit voorval werd een attestatie voor de notaris afgelegd. Een rechtszaak volgde niet en een vermelding in de stedelijke resolutieregisters is niet te vinden.
[32] OSA, nr. 361, 6 januari en 4 april 1711 en nr. 449, 28 augustus 1713.
[33] OSA, nr. 451, 12 april 1721.
[34] RANB, Res. Raad van Brabant, nrs. 2861-2866. Zie Bader, Stof en As, 27.
[35] OSA, nr. 459, 25 februari 1747
[36]OSA, nr. 420 of 421 nakijken,  23 oktober 1776. Prak, ‘Een verzekerd bestaan’, p. 72, 77.
[37] OSA, nr. 422, 12 maart 1777.
[38] OSA, nr. 422, 12 maart 1777 en  AG, Res. Kramers, nr. 178, februari 1777.
[39] Florike Egmond, Op het verkeerde pad. Georganiseerde misdaad in de Noordelij­ke Nederlanden 1650-1800 (1994) 237-238.
[40] NA. 2980, 25 april 1718.
[41] Brienen, De Nadere Reformatie en het Jodendom (Kampen 1980) 22-23.
[42] Blom e.a., Gesch. Joden in Ned. (2004) p. 171.
[43] C. Huisman, Neerlandts Israel (1983) 55-57.
[44] Mobachius Vrije van Gods Genade ('s-Hertogen-Bosch, Palier, 1745)
[45] Hollandsche Spectator, 28 januari 1735 ?????????
[46] De Hollandsche Spectator, nr. 340, 28 januari 1735. De Hollandsche Spectator was in de eerste helft van de achttiende eeuw hèt opiniërend tijdschrift van de fatsoenlijke burgerij. Zie P.J. Buynsters, Justus van Effen (1684-1735). Leven en werk (Utrecht 1992).
[47] O.m. in RA. 126-08: ‘Hoogduytsche Smousen’ (1746) en RA. 147-08: ‘swervende bende Smousen’ (1751).  Zie ook Faber, p. 251 en 253 en Spierenburg Judicial violence, p. 78.
[48] Zie Hanewinckel, p.xxx
[49] F. Egmond, Op het verkeerde pad, 147; Herman Diederiks, ‘Strafrecht en stigmatisering. De joden in de achttiende-eeuwse Republiek’ in: Herman Diederiks en Chris Quispel (red.), Onderscheid en minderheid. Sociaal-historische opstellen over discriminatie en vooroordeel (Hilversum 1987), 95.
[50] RA. 090-02, A. Vos, Dataschurk xxxx. Over de ‘mini-pogrom’ te Vught: A. Vos, ‘Vogelvrij of tweederangs’ en Mayke Calis, doct. Scriptie UvA, p. 11-13.
[51] [S. Hanewinkel], Reize door de Majorij van ’s Hertogenbosch in den jaare 1798-1799 (in brieven) (Amsterdam, 1799; reprint ’s-Hertogenbosch 1973). Over katholieke Brabanders en joden de blz: 13, 22-23, 32-34 en 134-135. Het is niet geheel duidelijk of de verlichte predikant Hanewinkel werkelijk door de Meierij wandelde of dat de beschrijvingen in zijn studeerkamer zijn opgeschreven. De opmerkingen van de dominee zijn naar alle waarschijnlijkheid niet uit zijn duim gezogen.
[52] (NB: kennelijk bestonden er in 1763 ook al 2 groepen; zijn die weer samengegaan en later rond 1782 weer uit elkaar???)
[53] Over de hem: Aart Vos, ' Johannes Willem Kanneman, Boekdrukker en uitgever in Zaltbommel, 1744-1764' in Jaarboek Gelre LXXXV, 1994.
[54] Willem du Gardijn, Ahasverus in Duitsland. Oosteuropese joden en modern antisemitisme, 1881-1923 (Utrecht, 1991) p.9.
[55] In de jaren veertig en vijftig (maar ook later) is er sprake van rondzwervende groepen joden die het voorzien hadden op boerderijen en reizigers in het Brabantse land. In een crimineel proces uit 1746 spreekt de overheid van zwervende 'hoogduytsche smousen' (RA. 126-08; A. Vos, Dataschurk xxxx) en in 1751 noteerde de klerk van de schepenbank: 'swervende bende smousen' (RA. 147-08, A. Vos, Dataschurk xxxx). Ook in 1742 (RA. 107-04, A. Vos, Dataschurk xxxx), 1767 (RA. 126-06, A. Vos, Dataschurk xxx) en 1774 (RA. 128-04, A. Vos, Dataschurk xxxx) is sprake van een joodse bende.  Zie voor joodse benden aan het einde van de achttiende eeuw: Florike Egmond,  Banditisme etc. (1986) en Egmond Op het verkeerde pad (1994)
[56] Herman Diederiks, ‘Strafrecht en stigmatisering. De joden in de achttiende-eeuwse Republiek’ in: Herman Diederiks en Chris Quispel (red.), Onderscheid en minderheid. Sociaal-historische opstellen over discriminatie en vooroordeel (Hilversum 1987), 94-95. In 1766 liet de overheid bij de Bossche drukker Palier een 'Lyste van Vagabonden' drukken. Van de 313 gezochte en beschreven 'gaauwdieven en suspecte persoonen'  waren er 23 van de ' Joodsche natie'.  In 1783 verscheen een ' Lyste der gedetineerde Jooden te 's-Hertogenbosch' . Die van de tien joden werden ter dood gebracht, de overigen verbannen en/of gegeseld. De ' Generale Jagt' leverde in januari 1787 131 vagebonden, onder wie 18 joden op. Zie hier over Aart Vos, Dataschurk en Jan Bader, Stof en As,16-20.
[57] GAHt, Aanvullingen oud archief nr.8397-l, 'Advertissement van regten overgegeven aan Raad en Leenhove van Brabant uit naam en vanwegen de erfgenamen Adriana Elisabeth Donckers etc.', 1766.
[58] RA. dossier 133-01
[59] RA.44, vonnis 7 januari 1784.
[60] RA.44, vonnis 28 februari 1785.
[61] RA 44, vonnis 7 januari 1784.
[62] RA. 44, vonnis 27 augustus 1783.
[63] RA.44, vonnis 28 februari 1785.
[64] Vgl. Diederiks, ' Strafrecht en stigmatisering. Joden in de achttiende-eeuwse Republiek' in H. Diederiks en C. Quispel, Onderscheid en minderheid. Sociaal-historische opstellen over discriminatie en vooroordeel (Hvs, 1987)
[65] OSA, oud-nr. A. 315, 13 februari 1788.
[66] OSA, oud-nummer A. 164, 26 januari 1791.
[67] De Hollandsche Spectator, nr. 340, 28 januari 1735.  De arme ‘pakdragende’ joden werden in dubbel opzicht buitengesloten: door Nederlandse burgers en door gevestigde joden. (Egmond, Op het verkeerde pad, 237-238).
[68] OSA, nr. 437, 23 februari 1791.
[69] OSA, nr. 437, 23 februari 1791.
[70] Op 3 mei 1799 verwierf Simon Hartog uiteindelijk het poorterrecht. Zijn zoon Hartog Simon was hem voorgegaan. Deze werd poorter op 27 februari 1798. Prak verwisselt beiden (Rep. veelheid, Democratische enkelvoud, 230-231). Hartog Simon die in 1792 met de Haagse bankiersdochter Sara Rachel Kann huwde en met medewerking van zijn schoonfamilie zijn intrede deed in de financiële wereld en effectenhandel, kon zich borg stellen voor zijn vader. Zie uitvoerig over de familie Hartog/Hartogensis: J. Bader, Uit stof en as, p. 33-60.
[71] Bader, Uit stof en as, 35-36.
[72] Trouw, 30 oktober 2002.

[73] Helmut Walser Smith, Het verhaal van de slager en antisemitisme in Duitsland, 1900 (Amsterdam, 2003) 136 ev.
[74] Prins-Afman en aantekeningen Jan Bader
[75] TROUW, 16 november 2002.